Wanneer is ventilatie nodig bij een PGS 15-opslag?
Een PGS 15-opslagvoorziening hoeft niet automatisch mechanisch te worden geventileerd. PGS 15:2021 schrijft ook niet voor iedere opslagvoorziening een vast aantal luchtwisselingen per uur voor.
Het uitgangspunt is risicogericht.
Wanneer bij de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen onbedoeld dampen kunnen vrijkomen, moeten deze doelmatig uit de opslagvoorziening worden afgevoerd. Of daarvoor ventilatie noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd, hangt af van de opgeslagen stoffen, verpakkingen, mogelijke blootstelling van werknemers en het risico op het ontstaan van een explosieve atmosfeer.
Afhankelijk van de situatie kan natuurlijke ventilatie voldoende zijn of kan mechanische ventilatie noodzakelijk zijn.
Daarom moet de vraag niet zijn:
“Hoeveel keer per uur moet een PGS 15-opslag worden geventileerd?”
maar:
“Kunnen in deze opslag gevaarlijke dampen vrijkomen en welke ventilatie is nodig om het risico voldoende te beheersen?”
VNCW Consultants kan de ventilatie van bestaande en nieuwe PGS 15-opslagvoorzieningen beoordelen in samenhang met de stoffen, arbeidsveiligheid, explosieveiligheid en het totale opslagconcept.
Laat de ventilatie van uw PGS 15-opslag beoordelen
Wat zegt PGS 15 over ventilatie?
PGS 15:2021 bevat in voorschrift 3.9.1 het uitgangspunt voor het vrijkomen van dampen.
Wanneer in een opslagvoorziening onbedoeld dampen kunnen vrijkomen, moeten deze doelmatig uit de opslagvoorziening worden afgevoerd.
Dat geldt zowel voor bouwkundige opslagvoorzieningen als voor brandveiligheidsopslagkasten.
Het uitgangspunt is dus niet dat iedere PGS 15-opslag permanent mechanisch moet worden geventileerd.
Eerst moet worden bepaald of bij de opgeslagen stoffen daadwerkelijk relevante dampen kunnen vrijkomen.
Pas daarna wordt bepaald welke maatregel passend is.
Geen standaard ventilatievoud voor iedere PGS 15-opslag
Een veelgestelde vraag is:
“Hoeveel luchtwisselingen per uur schrijft PGS 15 voor?”
Daar bestaat voor een reguliere PGS 15-opslag geen algemeen antwoord op.
PGS 15:2021 schrijft in voorschrift 3.9.1 niet generiek voor dat iedere opslagvoorziening bijvoorbeeld 5, 6 of 10 keer per uur volledig moet worden geventileerd.
Dat is belangrijk omdat in ontwerpen en bestekken soms zonder verdere onderbouwing een standaard ventilatievoud wordt opgenomen.
Een ventilatievoorziening moet juist worden afgestemd op het risico.
Daarbij kunnen onder andere relevant zijn:
- eigenschappen van de opgeslagen stoffen;
- dampdruk;
- toxiciteit;
- onderste explosiegrens;
- hoeveelheid opgeslagen product;
- verpakkingstype;
- kans op lekkage;
- omvang van de opslagruimte;
- aanwezigheid van personeel;
- verblijfsduur;
- positie van ventilatieopeningen;
- mogelijke ontstekingsbronnen.
De noodzakelijke ventilatiecapaciteit moet daarom waar nodig uit een risicoanalyse of berekening volgen.
Maar de verpakkingen zijn toch gesloten?
PGS 15 gaat in beginsel uit van opslag in gesloten verpakkingen.
Dat betekent dat tijdens normale opslag geen continue procesemissie hoort plaats te vinden.
Toch kunnen dampen vrijkomen.
Een verpakking kan bijvoorbeeld beschadigd raken wanneer een pallet wordt verplaatst. Een vat kan uit een stelling vallen, een heftruck kan een verpakking beschadigen of een sluiting kan defect raken.
Ook kunnen bepaalde verpakkingen kleine hoeveelheden damp afgeven.
Daarom moet worden beoordeeld wat er gebeurt wanneer onbedoeld product of damp vrijkomt.
PGS 15 richt zich dus niet uitsluitend op de situatie waarin alle verpakkingen probleemloos gesloten blijven.
Arbeidsveiligheid is een belangrijk onderdeel
Ventilatie van een gevaarlijke-stoffenopslag is niet alleen een milieuvraagstuk.
Juist de bescherming van werknemers is belangrijk.
Wanneer schadelijke dampen kunnen vrijkomen, moet worden voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan concentraties die hun gezondheid kunnen schaden.
Daarom moet de PGS 15-beoordeling waar nodig worden gecombineerd met de verplichtingen vanuit de arbeidsomstandighedenregelgeving.
De Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) kan daarbij een belangrijke rol spelen.
De eigenschappen van de stoffen moeten vervolgens worden meegenomen.
Denk bijvoorbeeld aan:
toxiciteit,
corrosieve dampen,
irriterende eigenschappen,
brandbaarheid,
en
mogelijke vorming van een explosieve atmosfeer.
Een ventilatiesysteem dat uitsluitend op comfortventilatie is ontworpen, hoeft daarom niet automatisch geschikt te zijn voor een opslag van gevaarlijke stoffen.
Natuurlijke ventilatie
Natuurlijke ventilatie kan in bepaalde situaties voldoende zijn.
Hierbij wordt lucht afgevoerd en toegevoerd zonder mechanische ventilator, bijvoorbeeld via ventilatieopeningen.
Of natuurlijke ventilatie voldoende is, hangt af van de omstandigheden.
De plaats van openingen kan bijvoorbeeld belangrijk zijn.
Dampen die zwaarder zijn dan lucht kunnen zich laag in een ruimte verzamelen. Voor andere dampen kan juist een andere ventilatiestrategie nodig zijn.
Ook moet worden voorkomen dat dampen vanuit de opslagvoorziening naar ongewenste plaatsen worden geleid.
Denk aan:
- werkruimten;
- kantoorruimten;
- luchtinlaten;
- kelderopeningen;
- ontstekingsbronnen;
- andere gebouwen.
Natuurlijke ventilatie moet daarom eveneens doelmatig zijn ontworpen.
Mechanische ventilatie
Wanneer natuurlijke ventilatie onvoldoende zekerheid biedt, kan mechanische ventilatie worden toegepast.
Een ventilator creëert dan een gecontroleerde luchtstroom waarmee verontreinigde lucht uit de opslagvoorziening wordt afgevoerd.
Daarbij zijn verschillende ontwerpvragen relevant.
Waar wordt lucht toegevoerd?
Waar wordt lucht afgezogen?
Welke ventilatiecapaciteit is nodig?
Waar wordt de afgezogen lucht naar buiten gebracht?
Kan zich ergens een dode zone vormen?
Wat gebeurt er wanneer de ventilator uitvalt?
Is de ventilatie continu nodig of alleen onder bepaalde omstandigheden?
En vooral:
kan in het ventilatiesysteem zelf een explosieve atmosfeer ontstaan?
De ventilatie moet dus onderdeel zijn van de totale risicoanalyse.
Ventilatie en explosieve atmosferen
Wanneer brandbare dampen kunnen vrijkomen, ontstaat een extra aandachtspunt.
Een voldoende hoge concentratie brandbare damp gemengd met lucht kan een explosieve atmosfeer vormen.
Ventilatie kan worden gebruikt om te voorkomen dat dergelijke concentraties ontstaan of om de omvang en duur van een gevaarlijke zone te beperken.
Maar daarmee ontstaat tegelijkertijd een nieuwe ontwerpvraag.
De ventilator, motor, elektrische installatie en andere onderdelen mogen zelf geen ongewenste ontstekingsbron vormen wanneer zij zich in een explosiegevaarlijke atmosfeer bevinden.
Daarom moeten PGS 15 en explosieveiligheid waar relevant gezamenlijk worden beoordeeld.
Is een PGS 15-opslag automatisch een ATEX-zone?
Nee.
Het enkele feit dat brandbare gevaarlijke stoffen in een PGS 15-opslag aanwezig zijn, betekent niet automatisch dat de volledige opslagruimte als explosiegevaarlijke zone moet worden geclassificeerd.
Er moet worden onderzocht of en met welke frequentie en duur een explosieve atmosfeer kan ontstaan.
Daarbij spelen de eigenschappen van de stoffen, verpakkingen, mogelijke lekkages en ventilatie een rol.
Op basis daarvan kan worden vastgesteld of een gevarenzone-indeling noodzakelijk is en hoe deze eruit moet zien.
Een generieke uitspraak als:
“Dit is PGS 15, dus alles moet ATEX zijn”
is daarom niet juist.
Maar het tegenovergestelde is evenmin verstandig.
Wanneer brandbare dampen kunnen ontstaan, moet explosieveiligheid daadwerkelijk worden onderzocht.
Ventilatie kan invloed hebben op de ATEX-beoordeling
Ventilatie en explosieveiligheid zijn nauw met elkaar verbonden.
Een goed ontworpen ventilatiesysteem kan de concentratie brandbare dampen verlagen en daarmee de kans, omvang of duur van een explosieve atmosfeer beïnvloeden.
Daarom kan ventilatie onderdeel zijn van de onderbouwing van de gevarenzone-indeling.
Het is echter niet voldoende om alleen te stellen dat “er ventilatie aanwezig is”.
De effectiviteit moet passend zijn voor de mogelijke emissie.
Daarbij kunnen bijvoorbeeld de ventilatiecapaciteit, beschikbaarheid, positie van afzuiging en storingsscenario’s relevant zijn.
Afzuiging hoog of laag?
Ook deze vraag kan niet generiek worden beantwoord.
De juiste positie van de afzuiging hangt mede af van de eigenschappen van de mogelijke dampen.
Wanneer dampen aanzienlijk zwaarder zijn dan lucht, kan ophoping op lage plaatsen een belangrijk scenario zijn.
Daarbij verdienen bijvoorbeeld putten, goten, lage delen en andere besloten zones extra aandacht.
Het simpelweg plaatsen van een afzuigpunt tegen het plafond hoeft dan niet effectief te zijn.
Daarom moet de ventilatiestrategie worden afgestemd op de stoffen die daadwerkelijk worden opgeslagen.
Ventilatie naar buiten
Wanneer verontreinigde lucht mechanisch wordt afgevoerd, moet ook worden gekeken waar deze lucht terechtkomt.
Het verplaatsen van dampen vanuit een opslagruimte naar een andere ongewenste locatie lost het veiligheidsprobleem immers niet op.
De uitblaaspositie moet daarom zodanig worden gekozen dat geen onaanvaardbare blootstelling of ander risico ontstaat.
Ook de nabijheid van luchtinlaten, ramen, deuren, werkplekken en mogelijke ontstekingsbronnen kan relevant zijn.
Bij complexere situaties moet dit onderdeel zijn van het technische ontwerp.
Brandwerendheid van ventilatievoorzieningen
Ventilatie kan bovendien invloed hebben op de brandwerende scheiding van een PGS 15-opslagvoorziening.
Wanneer een ventilatiekanaal door een brandwerende wand loopt, wordt feitelijk een opening in die scheiding gemaakt.
De vereiste WBDBO mag hierdoor niet verloren gaan.
Afhankelijk van de constructie kunnen bijvoorbeeld brandkleppen of andere gecertificeerde oplossingen noodzakelijk zijn.
Hierdoor ontstaat een belangrijke samenhang tussen:
PGS 15 ventilatie,
WBDBO,
brandcompartimentering
en
explosieveiligheid.
Deze onderwerpen moeten bij voorkeur niet door verschillende ontwerpers los van elkaar worden uitgewerkt zonder onderlinge afstemming.
Ventilatie van brandveiligheidsopslagkasten
Ook bij brandveiligheidsopslagkasten bestaat regelmatig onduidelijkheid over ventilatie.
PGS 15 gaat niet uit van de gedachte dat iedere opslagkast per definitie moet worden geventileerd.
Het uitgangspunt is opnieuw dat ventilatie noodzakelijk is wanneer dit op basis van de opgeslagen stoffen nodig is.
Een moderne brandveiligheidsopslagkast kan doorgaans worden aangesloten op een geschikt ventilatiesysteem.
Of dat daadwerkelijk noodzakelijk is, hangt af van de inhoud en het risico.
Een kast uitsluitend ventileren “omdat het een PGS 15-kast is” is daarom geen goede risicogerichte onderbouwing.
Oude brandveiligheidskasten
Bij oudere kasten bestaat een bijzonder aandachtspunt.
Brandveiligheidsopslagkasten die vóór 1 januari 2006 in gebruik zijn genomen, vallen binnen de relevante PGS-systematiek onder de oudere NEN 2678.
Die norm bevatte ventilatie als onderdeel van de uitvoering.
Tegelijkertijd is het PGS 15-uitgangspunt dat ventilatie vooral nodig is wanneer de opgeslagen stoffen daar aanleiding toe geven.
Bij bestaande oude kasten moet daarom worden gekeken naar de concrete situatie en de overige eisen waaraan de kast moet voldoen.
Gasflessen vragen om een andere benadering
De opslag van gasflessen kent specifieke PGS 15-eisen.
Daarbij is natuurlijke ventilatie een belangrijk uitgangspunt.
Gas dat uit een lekkende gasfles vrijkomt, kan zich anders in een opslagvoorziening ophopen.
Bij brandbare gassen die zwaarder zijn dan lucht, zoals propaan en butaan, is bovendien de omgeving rond de opslag relevant.
PGS 15 stelt bijvoorbeeld specifieke eisen ten opzichte van kelderopeningen en aanzuigopeningen van ventilatiesystemen.
Een gasflessenopslag moet daarom niet automatisch met hetzelfde ventilatieconcept worden ontworpen als een opslag van verpakte vloeistoffen.
Vloeistoffen met brandbare dampen
Bij opslag van brandbare vloeistoffen moet worden gekeken naar de mogelijke vorming van damp.
Onder normale omstandigheden blijven de primaire verpakkingen gesloten.
Een incident met een lekkende of beschadigde verpakking kan echter tot dampvorming leiden.
De relevante eigenschappen zijn onder andere het vlampunt, de dampdruk en de explosiegrenzen.
Daarbij is ook de hoeveelheid product die bij een realistisch incident kan vrijkomen relevant.
Een kleine lekkage uit een verpakking vraagt mogelijk om een andere beoordeling dan het volledig leeglopen van een grote verpakking.
Toxische en corrosieve dampen
Niet alleen brandbare dampen verdienen aandacht.
Ook toxische, irriterende of corrosieve dampen kunnen een ventilatievraagstuk veroorzaken.
Daarbij is explosieveiligheid mogelijk niet het dominante risico.
In plaats daarvan kan blootstelling van medewerkers bepalend zijn.
De ventilatie moet dan bijdragen aan het voorkomen van schadelijke concentraties in de ademzone.
Waar nodig moeten grenswaarden en arbeidsomstandigheden worden betrokken bij de beoordeling.
Open verpakkingen horen in beginsel niet in de opslag
Een belangrijk uitgangspunt van PGS 15 is dat de primaire verpakking in de opslagvoorziening gesloten blijft.
Aftappen en overtappen horen daarom niet zonder meer bij normale opslag.
Wanneer bijvoorbeeld vanuit drums of IBC’s product wordt afgetapt, verandert het risicoprofiel aanzienlijk.
Er kunnen vaker dampen vrijkomen en de kans op morsen of lekkage neemt toe.
Een dergelijke activiteit moet daarom afzonderlijk worden beoordeeld.
Het ventilatieconcept van een gewone opslagruimte mag niet automatisch worden gebruikt als ventilatieconcept voor een ruimte waarin structureel chemicaliën worden overgepompt.
Ventilatie bij een lekkage
Bij het ontwerpen van ventilatie is het verstandig ook na te denken over incidenten.
Wat gebeurt er wanneer een verpakking lekt?
Hoe wordt dit ontdekt?
Kunnen medewerkers veilig naar binnen?
Waar verzamelen mogelijke dampen zich?
Hoe wordt de ruimte geventileerd?
Kan de ventilatie veilig worden ingeschakeld wanneer een explosieve atmosfeer mogelijk is?
En hoe wordt een lekkende verpakking vervolgens veiliggesteld?
Ventilatie is daarmee slechts één onderdeel van incidentbeheersing.
Wanneer is een berekening nodig?
Niet iedere kleine PGS 15-opslag vraagt om een uitgebreide CFD-berekening of complex ventilatiemodel.
Bij complexere situaties kan een kwantitatieve beoordeling echter wel noodzakelijk of verstandig zijn.
Bijvoorbeeld wanneer:
- grote hoeveelheden vluchtige stoffen aanwezig zijn;
- toxische dampen kunnen vrijkomen;
- explosiegevaar bestaat;
- de ruimte groot of geometrisch complex is;
- natuurlijke ventilatie als veiligheidsmaatregel wordt gebruikt;
- een afwijkende oplossing wordt voorgesteld;
- ventilatie invloed heeft op een ATEX-zone;
- het bevoegd gezag om onderbouwing vraagt.
Het benodigde detailniveau moet aansluiten bij het risico.
Ventilatie bij nieuwbouw
Bij nieuwbouw moet ventilatie vroeg in het ontwerp worden meegenomen.
Achteraf een ventilatiesysteem toevoegen kan namelijk gevolgen hebben voor:
- brandwerende wanden;
- WBDBO;
- dakdoorvoeringen;
- ATEX-zonering;
- elektrische installaties;
- energiegebruik;
- luchtbehandeling;
- positie van luchtinlaten en uitlaten.
Daarnaast kan de keuze van de opgeslagen stoffen veranderen welke oplossing noodzakelijk is.
Daarom is het verstandig het stoffenpakket al tijdens de ontwerpfase te analyseren.
Ventilatie bij een bestaande PGS 15-opslag
Bij bestaande opslagvoorzieningen zien we regelmatig ventilatiesystemen waarvan niet meer duidelijk is waarom ze ooit zijn aangebracht.
Soms is een mechanisch systeem aanwezig terwijl niemand weet welke capaciteit vereist is.
In andere gevallen zijn ventilatieopeningen tijdens een verbouwing gedeeltelijk afgesloten.
Ook kan het stoffenpakket in de loop der jaren volledig zijn veranderd.
Een herbeoordeling kan dan antwoord geven op drie vragen:
Is ventilatie daadwerkelijk nodig?
Is de aanwezige ventilatie voldoende?
Is het systeem veilig en correct uitgevoerd voor de huidige stoffen?
PGS 15:2021 of PGS 15:2025?
Voor de juridische beoordeling is ook hier de toepasselijke PGS-versie belangrijk.
PGS 15:2021 blijft in 2026 de aangewezen versie in de Omgevingsregeling.
PGS 15:2025 versie 1.1 van april 2026 is de nieuwste technische publicatie, maar deze versie is niet als vervanger van PGS 15:2021 aangewezen.
Bij een bestaande vergunningplichtige opslag kan bovendien een oudere PGS-versie in de vergunning staan.
Daarom moet vóór een formele compliancebeoordeling worden vastgesteld welk toetsingskader voor de opslagvoorziening geldt.
Ventilatie als onderdeel van een PGS 15 gap-analyse
VNCW Consultants kan ventilatie meenemen in een bredere PGS 15 gap-analyse.
Daarbij kunnen onder andere worden beoordeeld:
- stoffenlijst;
- relevante dampgevaren;
- huidige ventilatievoorzieningen;
- natuurlijke ventilatie;
- mechanische ventilatie;
- positie van toevoer en afvoer;
- mogelijke ophoping van dampen;
- relatie met ATEX;
- relatie met RI&E;
- brandwerende doorvoeringen;
- aanwezige documentatie;
- onderhoud en inspectie;
- veranderingen in het stoffenpakket.
Hiermee wordt ventilatie niet als geïsoleerde installatie beoordeeld, maar als onderdeel van het totale veiligheidsconcept.
CTA: Vraag een PGS 15 gap-analyse aan
Veelgestelde vragen over PGS 15 ventilatie
Is ventilatie altijd verplicht in een PGS 15-opslag?
Nee. Het uitgangspunt is dat dampen doelmatig moeten worden afgevoerd wanneer deze onbedoeld kunnen vrijkomen. Of daarvoor aanvullende ventilatie nodig is, moet op basis van de opgeslagen stoffen en risico’s worden vastgesteld.
Hoeveel luchtwisselingen per uur schrijft PGS 15 voor?
PGS 15:2021 voorschrift 3.9.1 bevat geen algemeen verplicht ventilatievoud dat voor iedere reguliere opslagvoorziening geldt. De noodzakelijke ventilatie moet worden afgestemd op het daadwerkelijke risico.
Moet ventilatie mechanisch zijn?
Niet altijd. Zowel natuurlijke als mechanische ventilatie kan als maatregel worden gebruikt. Welke oplossing geschikt is, hangt af van de situatie.
Moet een brandveiligheidsopslagkast worden geventileerd?
Niet automatisch. Het uitgangspunt is dat ventilatie nodig is wanneer de eigenschappen van de opgeslagen stoffen daar aanleiding toe geven. Wel moet bij aanschaf en gebruik rekening worden gehouden met de eisen die voor het specifieke kasttype gelden.
Is een PGS 15-opslag automatisch ATEX?
Nee. Er moet eerst worden beoordeeld of een explosieve atmosfeer kan ontstaan. De aanwezigheid van brandbare stoffen alleen betekent niet automatisch dat de volledige opslagruimte een ATEX-zone is.
Moet een ventilator explosieveilig zijn?
Wanneer de ventilator of andere onderdelen van het systeem zich in een explosiegevaarlijke atmosfeer kunnen bevinden, moet de explosieveiligheid van de installatie worden beoordeeld. Dit volgt uit de beoordeling van het explosierisico.
Moet afzuiging altijd laag worden geplaatst?
Nee. De juiste positie hangt onder andere af van de eigenschappen van de mogelijke dampen en het ontwerp van de ruimte. Voor zwaarder-dan-lucht-dampen kan lage ophoping een belangrijk aandachtspunt zijn.
Mag de afgezogen lucht naar een andere bedrijfsruimte?
Een ventilatiesysteem moet dampen doelmatig en veilig afvoeren. Het verplaatsen van gevaarlijke dampen naar een andere werkruimte is geen adequate oplossing. De uitblaaspositie moet daarom worden meegenomen in het ontwerp.
Mag ik in een PGS 15-opslag aftappen?
PGS 15 gaat uit van gesloten primaire verpakkingen. Structureel af- en overtappen verandert het risico en vraagt om een afzonderlijke beoordeling en mogelijk aanvullende maatregelen.
Kan VNCW Consultants mijn bestaande ventilatie controleren?
Ja. De ventilatie kan worden beoordeeld in relatie tot de huidige stoffen, PGS 15, arbeidsveiligheid, mogelijke explosieve atmosferen, brandcompartimentering en de feitelijke uitvoering van het systeem.
Ventilatie van uw PGS 15-opslag laten beoordelen
Ventilatie bij gevaarlijke stoffen moet niet worden ontworpen vanuit een willekeurig standaard ventilatievoud.
De juiste vraag is welke dampen bij de betreffende opslag kunnen vrijkomen, welke risico’s deze veroorzaken en welke technische en organisatorische maatregelen noodzakelijk zijn om deze risico’s te beheersen.
VNCW Consultants kan bestaande en nieuwe opslagvoorzieningen beoordelen en ventilatie meenemen in het totale PGS 15-ontwerp.
Laat uw PGS 15 ventilatie beoordelen
Vraag een PGS 15 gap-analyse aan
