Hoeveel opvangcapaciteit is nodig volgens PGS 15?
Bij de opslag van vloeibare gevaarlijke stoffen moet worden voorkomen dat vrijgekomen product ongecontroleerd buiten de opslagvoorziening kan stromen.
PGS 15:2021 bevat daarom eisen voor productopvang.
Voor een reguliere opslagvoorziening geldt als uitgangspunt dat de opvangcapaciteit ten minste gelijk moet zijn aan:
110% van de inhoud van de grootste aanwezige verpakking, of
10% van de totale inhoud van alle aanwezige vloeistofverpakkingen,
waarbij de grootste van deze twee uitkomsten bepalend is.
Dat klinkt eenvoudig, maar in de praktijk ontstaan regelmatig vragen.
Moet een IBC bijvoorbeeld volledig worden opgevangen? Tellen lege verpakkingen mee? Mag de volledige vloer als opvangvoorziening worden gebruikt? Mag product naar een centrale opvangput stromen? En wat gebeurt er wanneer verschillende chemicaliën bij lekkage gevaarlijk met elkaar kunnen reageren?
Voor opslagvoorzieningen boven 10.000 kg kan bovendien een andere en uitgebreidere systematiek gelden, waarbij beschermingsniveau, vakindeling, vlampunt en eventuele bluswateropvang een belangrijke rol spelen.
VNCW Consultants kan de benodigde opvangcapaciteit berekenen en beoordelen of een bestaande of nieuwe opvangvoorziening aan de toepasselijke PGS 15-eisen voldoet.
CTA: Laat de benodigde opvangcapaciteit van uw opslag berekenen
Waarom is productopvang nodig?
De primaire verpakking vormt de eerste barrière tussen de gevaarlijke stof en de omgeving.
Maar verpakkingen kunnen beschadigd raken.
Een vat kan bijvoorbeeld uit een stelling vallen, een heftruck kan een verpakking raken of een IBC kan door mechanische beschadiging gaan lekken.
Zonder opvangvoorziening kan een vloeistof zich vervolgens door het magazijn verspreiden.
Dat kan leiden tot blootstelling van werknemers, bodemverontreiniging, verspreiding naar riolering of oppervlaktewater en contact met andere gevaarlijke stoffen.
Een opvangvoorziening moet dit voorkomen.
Het uitgangspunt is daarom dat een relevante lekkage binnen de opslagvoorziening beheersbaar blijft.
De 110%-regel
Voor een reguliere opslagvoorziening is de eerste berekening relatief eenvoudig.
Neem de grootste verpakking met vloeibare gevaarlijke stof en vermenigvuldig de inhoud daarvan met 110%.
Staat in de opslag bijvoorbeeld als grootste verpakking een vat van 200 liter, dan bedraagt deze uitkomst:
200 × 110% = 220 liter.
Maar daarmee is de benodigde opvangcapaciteit nog niet automatisch bepaald.
Ook 10% van de totale hoeveelheid aanwezige vloeistof moet worden berekend.
De grootste uitkomst is bepalend.
De 10%-regel
Stel dat in dezelfde opslagvoorziening in totaal 4.000 liter vloeibare gevaarlijke stoffen aanwezig is.
Tien procent daarvan is:
4.000 × 10% = 400 liter.
De 110%-berekening van het grootste vat gaf 220 liter.
De 10%-berekening geeft 400 liter.
De noodzakelijke opvangcapaciteit bedraagt in dit voorbeeld dus minimaal:
400 liter.
Niet 220 liter.
Dit is een belangrijk detail dat in de praktijk regelmatig verkeerd wordt toegepast.
Voorbeeld met een IBC
Stel dat de grootste verpakking een IBC van 1.000 liter is.
110% daarvan bedraagt:
1.100 liter.
Wanneer daarnaast in totaal 5.000 liter vloeistof in de opslagvoorziening aanwezig is, bedraagt 10% van de totale inhoud:
500 liter.
De grootste uitkomst is 1.100 liter.
De benodigde productopvang bedraagt in dit voorbeeld daarom ten minste:
1.100 liter.
De aanwezigheid van één IBC kan dus een aanzienlijke invloed hebben op de vereiste opvangcapaciteit.
Voorbeeld met veel kleine verpakkingen
Het tegenovergestelde kan eveneens voorkomen.
Stel dat de grootste verpakking slechts 25 liter bevat, maar in de opslagvoorziening in totaal 8.000 liter vloeistof aanwezig is.
110% van 25 liter bedraagt:
27,5 liter.
Tien procent van 8.000 liter bedraagt:
800 liter.
In dat geval is 800 liter bepalend.
De regel voorkomt daarmee dat een magazijn met duizenden liters gevaarlijke vloeistoffen slechts een zeer kleine opvangvoorziening zou hebben omdat alle producten in kleine verpakkingen zitten.
Alleen vloeistoffen tellen mee
Productopvang is bedoeld voor het opvangen van vloeistoffen.
Voor uitsluitend vaste gevaarlijke stoffen is deze specifieke productopvang daarom niet noodzakelijk.
Bij een gemengde opslag moet dus worden vastgesteld welk deel van de opgeslagen hoeveelheid vloeibaar is.
De totale kilogramcapaciteit van de PGS 15-opslag kan niet rechtstreeks worden gebruikt om de benodigde opvangcapaciteit te berekenen.
De berekening moet worden gebaseerd op de relevante vloeistofinhoud.
Tellen lege ongereinigde verpakkingen mee?
Lege ongereinigde verpakkingen kunnen vanuit het ADR en PGS 15 nog steeds als gevaarlijke verpakking relevant zijn.
Voor de berekening van de hoeveelheid productopvang tellen lege ongereinigde verpakkingen echter niet mee.
Dit is logisch omdat de oorspronkelijke nominale inhoud van een leeg vat niet opnieuw als aanwezige vloeistof moet worden gerekend.
Wel moeten lege ongereinigde verpakkingen uiteraard correct worden opgeslagen en behandeld.
Eén grote opvangbak of meerdere kleine lekbakken?
PGS 15 schrijft niet voor dat productopvang uitsluitend met één grote centrale opvangbak moet worden gerealiseerd.
De opvang kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door:
- een vloeistofkerende opslagvloer met opstaande randen;
- afzonderlijke lekbakken;
- opvangbakken onder stellingen;
- palletopvangbakken;
- een centrale opvangvoorziening;
- een combinatie van voorzieningen.
Het gaat uiteindelijk om de beschikbare effectieve opvangcapaciteit en de vraag of vrijkomende vloeistof daadwerkelijk binnen de bedoelde voorziening wordt gehouden.
Dat laatste is minstens zo belangrijk als het theoretische aantal liters.
Een lekbak moet praktisch werken
Een lekbak kan op papier voldoende inhoud hebben, maar in de praktijk toch onvoldoende functioneren.
Denk bijvoorbeeld aan een IBC die gedeeltelijk buiten de opvangbak staat.
Of aan een stelling waarbij een lekkage vanaf een hoog niveau buiten de onderliggende opvangvoorziening terecht kan komen.
Ook kan een opvangbak al gedeeltelijk gevuld zijn met regenwater, schoonmaakwater of andere vloeistoffen.
De theoretische capaciteit is dan niet meer volledig beschikbaar.
Een PGS 15-inspectie moet daarom niet alleen kijken naar het nominale volume van de opvangvoorziening, maar ook naar de feitelijk beschikbare capaciteit en de praktische werking.
Mag een vloeistofdichte vloer als opvang dienen?
Een vloer kan onderdeel zijn van een opvangconcept, maar alleen het feit dat een vloer vloeistofdicht of vloeistofkerend is, betekent nog niet automatisch dat voldoende opvangcapaciteit aanwezig is.
Een vlakke vloer houdt een lekkage immers niet noodzakelijk binnen de opslagvoorziening.
Er moet worden gekeken naar de route die de vloeistof kan volgen.
Kan het product via een deur naar buiten stromen?
Kan het naar een andere ruimte lopen?
Kan het in een afvoer terechtkomen?
Zijn er drempels, goten of een opvangput aanwezig?
De geometrie van de vloer is daardoor onderdeel van de capaciteitsberekening.
Drempels als opvangvoorziening
Een opslagruimte kan bijvoorbeeld door middel van een vloeistofkerende drempel als opvangvoorziening functioneren.
De beschikbare opvangcapaciteit wordt dan bepaald door onder andere:
vloeroppervlakte × effectieve vloeistofhoogte.
Een ruimte van 100 m² met een theoretische vloeistofhoogte van 1 cm heeft bijvoorbeeld een geometrische inhoud van ongeveer:
1.000 liter.
Maar ook dan moet worden gekeken naar obstakels, afschot, deuropeningen, putten en andere routes waarlangs vloeistof kan ontsnappen.
De berekening moet aansluiten op de werkelijke bouwkundige situatie.
Centrale opvangput
Een centrale opvangput kan eveneens onderdeel zijn van het opvangconcept.
Daarbij moet echter worden beoordeeld hoe vloeistof vanuit de opslagvoorziening naar deze put stroomt.
De route moet betrouwbaar zijn.
Daarnaast ontstaat een belangrijk aandachtspunt wanneer verschillende onverenigbare stoffen dezelfde opvangvoorziening kunnen bereiken.
Een centrale put kan immers tot gevolg hebben dat producten die in het magazijn zorgvuldig van elkaar zijn gescheiden tijdens een incident alsnog met elkaar worden gemengd.
Daarom moeten productopvang en stoffenscheiding gezamenlijk worden ontworpen.
Onverenigbare stoffen mogen niet via de opvang mengen
Dit is een van de belangrijkste aandachtspunten.
Stel dat in één opslagvoorziening zowel sterke zuren als sterke basen worden opgeslagen.
De pallets kunnen fysiek in afzonderlijke delen van het magazijn staan.
Wanneer beide delen echter afwateren naar dezelfde opvangput, kan bij een gelijktijdige lekkage alsnog een gevaarlijke reactie ontstaan.
Hetzelfde probleem kan zich voordoen bij andere chemisch onverenigbare combinaties.
Een goed opvangconcept kijkt daarom niet alleen naar:
hoeveel liter kunnen we opvangen?
maar ook naar:
welke stoffen kunnen in die opvangvoorziening met elkaar in contact komen?
Productopvang en stoffenscheiding
Productopvang is daardoor nauw verbonden met stoffenscheiding.
Wanneer stoffen volgens PGS 15 van elkaar moeten worden gescheiden, moet worden beoordeeld of de opvangvoorziening deze scheiding ondersteunt.
Mogelijke oplossingen zijn bijvoorbeeld:
- afzonderlijke lekbakken;
- gescheiden opvangzones;
- afzonderlijke vakken;
- drempels;
- compartimentering;
- afzonderlijke opvangputten.
De juiste oplossing hangt af van het stoffenpakket en de magazijnindeling.
Productopvang is niet hetzelfde als bluswateropvang
Deze begrippen worden regelmatig door elkaar gehaald.
Productopvang is bedoeld voor gevaarlijke vloeistof die uit verpakkingen vrijkomt.
Bluswateropvang is bedoeld voor water en andere blusmiddelen die tijdens brandbestrijding verontreinigd raken.
Bij een brand kan de benodigde hoeveelheid bluswater vele malen groter zijn dan de hoeveelheid product die uit verpakkingen vrijkomt.
Daarom kan een opvangvoorziening die ruimschoots aan de reguliere 110%/10%-regel voldoet nog steeds veel te klein zijn om ook het noodzakelijke bluswater op te vangen.
Voor grote opslagvoorzieningen moeten beide componenten daarom afzonderlijk worden berekend.
Grote opslag boven 10.000 kg
Voor opslagvoorzieningen waarop hoofdstuk 4 van PGS 15:2021 van toepassing is, gelden aanvullende eisen.
Daar kan de benodigde productopvang afhankelijk zijn van:
- beschermingsniveau;
- vlampunt;
- verpakking;
- vakindeling;
- hoeveelheid vloeistof.
De eenvoudige 110%/10%-regel uit hoofdstuk 3 blijft daarom niet de enige relevante berekening.
Voor grote opslagvoorzieningen moet de aanvullende hoofdstuk-4-systematiek worden toegepast.
Beschermingsniveau 2a
Voor een opslagvoorziening met beschermingsniveau 2a geldt een aanzienlijk zwaardere productopvang.
Daar bedraagt de productopvangcapaciteit:
100% van de aanwezige vloeistoffen in de opslagvoorziening.
Het uitgangspunt van beschermingsniveau 2a is dat een brand binnen het brandcompartiment wordt gehouden zonder dat de brand in het compartiment zelf wordt geblust.
De opslag wordt daarbij als verloren beschouwd.
Een goede opvang van de aanwezige vloeistoffen is daardoor bijzonder belangrijk.
Beschermingsniveau 3 en 4
Voor beschermingsniveau 3 en 4 wordt een andere systematiek toegepast.
Daar bedraagt de noodzakelijke productopvang ten minste:
10% van de vloeistoffen in het grootste vak.
Het uitgangspunt is dat niet alle verpakkingen en niet alle vakken tegelijkertijd beschadigd raken.
De vakindeling heeft daardoor rechtstreeks invloed op de benodigde opvangcapaciteit.
Dit laat zien waarom de indeling van een groot PGS 15-magazijn niet alleen logistieke gevolgen heeft.
Een andere vakindeling kan ook gevolgen hebben voor de dimensionering van opvangvoorzieningen.
Beschermingsniveau 1
Bij beschermingsniveau 1 kan de berekening complexer worden.
Daar spelen onder andere het vlampunt van de stoffen, het verpakkingstype, vakindeling en het brandbeveiligingsconcept een rol.
Bij stoffen met een lager vlampunt kan bijvoorbeeld een groter percentage productopvang noodzakelijk zijn dan bij vloeistoffen met een hoger vlampunt.
Ook kan het verschil tussen metalen en kunststof verpakkingen relevant zijn.
Daarom adviseren wij voor beschermingsniveau 1 niet met een generiek percentage te werken, maar de berekening voor de concrete opslagvoorziening uit te voeren.
Vakindeling beïnvloedt de opvang
Bij grote opslagvoorzieningen worden gevaarlijke stoffen in vakken opgeslagen.
Deze vakken hebben verschillende veiligheidsfuncties.
Een daarvan is voorkomen dat brandende of gelekte vloeistof ongecontroleerd naar andere vakken stroomt.
Wanneer een vak niet zodanig is uitgevoerd dat vloeistof binnen het vak blijft, kan dit gevolgen hebben voor de berekening van product- en bluswateropvang.
Een schijnbaar kleine wijziging in de magazijnlay-out kan daardoor invloed hebben op de benodigde opvangcapaciteit.
Bluswateropvang bij beschermingsniveau 1
Bij beschermingsniveau 1 speelt naast productopvang ook bluswateropvang een belangrijke rol.
De benodigde capaciteit hangt onder andere samen met het toegepaste vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussysteem.
Daarbij kunnen onder meer relevant zijn:
- sproeidichtheid;
- blustijd;
- te beschermen oppervlak;
- vakindeling;
- opgeslagen stoffen;
- veiligheidsfactoren.
PGS 15 verwijst hiervoor naar PGS 14.
De bluswateropvang kan daardoor aanzienlijk groter worden dan de productopvang.
Productopvang + bluswateropvang
Wanneer zowel productopvang als bluswateropvang noodzakelijk zijn, moeten de benodigde capaciteiten bij elkaar worden opgeteld om de totale noodzakelijke opvangcapaciteit te bepalen.
Een voorbeeld:
Stel dat uit de berekening volgt:
productopvang: 12 m³
en
bluswateropvang: 85 m³.
Dan moet het totale opvangconcept minimaal rekening houden met:
97 m³.
Het zou onjuist zijn om te stellen dat de 85 m³ bluswateropvang automatisch ook de 12 m³ productopvang afdekt zonder dit binnen de berekeningssystematiek te controleren.
Regenwater in een buitenopslag
Bij uitpandige opslag ontstaat nog een praktisch aandachtspunt: hemelwater.
Een open opvangvoorziening kan door regenwater gedeeltelijk gevuld raken.
Daardoor neemt de beschikbare opvangcapaciteit voor een incident af.
Er moet daarom een beheersstrategie zijn waarmee de noodzakelijke capaciteit beschikbaar blijft.
Ook moet worden voorkomen dat mogelijk verontreinigd water ongecontroleerd wordt geloosd.
Bij buitenopslag moet het beheer van hemelwater daarom onderdeel zijn van het opvangconcept.
Afsluiters en afvoeren
Wanneer een opslagvoorziening is aangesloten op een afvoer, moet worden voorkomen dat gevaarlijke vloeistoffen bij een incident ongecontroleerd via die route verdwijnen.
Afhankelijk van het ontwerp kunnen afsluiters of andere voorzieningen noodzakelijk zijn.
Ook hier is de praktische organisatie belangrijk.
Een afsluiter die tijdens een calamiteit handmatig moet worden gesloten heeft alleen waarde wanneer duidelijk is:
wie dit doet,
wanneer dit gebeurt,
en
of deze persoon de afsluiter tijdens het incident veilig kan bereiken.
Technische en organisatorische maatregelen moeten daarom gezamenlijk worden beoordeeld.
IBC-opslag vraagt extra aandacht
IBC’s bevatten relatief grote hoeveelheden vloeistof.
Eén beschadigde IBC kan daardoor in korte tijd honderden tot duizend liter product vrijgeven.
Bovendien kunnen kunststof IBC’s bij brand hun inhoud relatief snel verliezen.
Daarom moet bij IBC-opslag extra aandacht worden besteed aan:
- opvangcapaciteit;
- afstroming;
- vakindeling;
- brandscenario;
- beschermingsniveau;
- eventuele bluswateropvang.
Bij grote opslagvoorzieningen kan het verpakkingstype bovendien invloed hebben op de berekening van de productopvang.
Opslag in stellingen
Bij stellingopslag moet worden bekeken waar een lekkage vanaf een hoger niveau terechtkomt.
Een lekbak uitsluitend onder één palletpositie is niet automatisch effectief wanneer een vloeistof langs de stellingconstructie naar een andere locatie kan stromen.
Ook moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat verpakkingen tijdens een incident uit de stelling vallen.
Daarom moet het opvangconcept aansluiten op de werkelijke opslagwijze.
Mag een lekbak gedeeld worden?
Dat kan, mits de gezamenlijke opvangvoorziening voldoende capaciteit heeft en geen ongewenste chemische reacties kunnen ontstaan.
Voor chemisch onverenigbare stoffen kan een gezamenlijke lekbak juist ongeschikt zijn.
Hetzelfde geldt voor verschillende stellingsecties die uiteindelijk op één opvangvoorziening afwateren.
Daarom moet naast capaciteit ook compatibiliteit worden beoordeeld.
Hoe bereken je de effectieve inhoud van een lekbak?
Bij de berekening moet worden gekeken naar de werkelijk beschikbare inhoud.
Wanneer onderdelen van pallets, stellingen of verpakkingen zich binnen het opvangvolume bevinden, kunnen deze het beschikbare volume verkleinen.
Ook aanwezige vloeistof vermindert de resterende capaciteit.
De nominale productomschrijving van een lekbak is daarom niet altijd voldoende bewijs.
Bij een inspectie moet kunnen worden aangetoond dat de opvangvoorziening in de feitelijke configuratie voldoende capaciteit heeft.
Bodembescherming en productopvang zijn verschillende onderwerpen
Ook deze begrippen worden regelmatig door elkaar gebruikt.
Een vloeistofdichte of vloeistofkerende vloer is gericht op het voorkomen van bodemverontreiniging.
Productopvang is gericht op het beheersen van vrijgekomen gevaarlijke vloeistof.
Een vloer kan onderdeel zijn van beide maatregelen, maar de functies zijn niet identiek.
Een vloeistofdichte vloer zonder voldoende opstaande rand kan bijvoorbeeld uitstekend voorkomen dat product in de bodem trekt, maar niet voorkomen dat het product via een deuropening naar buiten stroomt.
Beide functies moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld.
Bestaande opvangvoorziening beoordelen
Bij bestaande opslagvoorzieningen is regelmatig niet duidelijk waarop de oorspronkelijke opvangcapaciteit is gebaseerd.
De stoffenlijst kan inmiddels zijn veranderd.
Er kunnen grotere verpakkingen worden gebruikt.
De opslagcapaciteit kan zijn verhoogd.
Of een deel van de oorspronkelijke opvangvoorziening kan door verbouwingen verloren zijn gegaan.
Een nieuwe berekening kan dan uitwijzen of de huidige situatie nog voldoet.
Daarbij beoordelen we bijvoorbeeld:
- grootste verpakking;
- totale hoeveelheid vloeistof;
- IBC’s;
- lekbakken;
- vloeroppervlakte;
- drempelhoogte;
- afschot;
- opvangputten;
- afvoeren;
- stoffenscheiding;
- vakindeling;
- beschermingsniveau;
- bluswateropvang.
Nieuwe opslagvoorziening ontwerpen
Bij nieuwbouw moet productopvang vroeg in het ontwerp worden meegenomen.
Achteraf een vereiste opvangcapaciteit realiseren kan namelijk kostbaar zijn.
Een grotere drempel kan bijvoorbeeld hinder opleveren voor heftrucks.
Een diepe opvangput kan bouwkundige consequenties hebben.
Een centraal opvangbassin vraagt leidingwerk en afsluiters.
Gescheiden opvang voor incompatibele stoffen kan invloed hebben op de volledige magazijnindeling.
Daarom is het verstandig de opvangberekening uit te voeren voordat vloerhoogtes, deuren en logistieke routes definitief worden vastgesteld.
PGS 15:2021 of PGS 15:2025?
Ook voor productopvang moet eerst worden vastgesteld welke PGS-versie juridisch van toepassing is.
PGS 15:2021 is momenteel de aangewezen versie in de Omgevingsregeling.
PGS 15:2025 versie 1.1 van april 2026 is de nieuwste technische publicatie, maar is niet als algemene vervanger van PGS 15:2021 aangewezen.
Bij bestaande vergunningplichtige opslag kan bovendien een oudere PGS-versie in de vergunning zijn opgenomen.
Voor een formele compliancebeoordeling moet daarom altijd eerst het toepasselijke toetsingskader worden vastgesteld.
Opvangberekening door VNCW Consultants
VNCW Consultants kan voor bestaande en nieuwe opslagvoorzieningen de benodigde opvangcapaciteit bepalen.
Daarbij kan worden gekeken naar:
- toepasselijke PGS-versie;
- hoeveelheid vloeistoffen;
- grootste verpakking;
- IBC’s;
- opslagcapaciteit;
- beschermingsniveau;
- vakindeling;
- vlampunten;
- verpakkingsmateriaal;
- stoffenscheiding;
- bestaande lekbakken;
- bouwkundige opvang;
- centrale opvang;
- eventuele bluswateropvang.
De uitkomst kan vervolgens worden gebruikt voor een PGS 15 gap-analyse, ontwerp, haalbaarheidsstudie of vergunningstraject.
Laat uw PGS 15 opvangcapaciteit berekenen
Veelgestelde vragen over PGS 15 productopvang
Hoeveel productopvang is volgens PGS 15 nodig?
Voor een reguliere opslagvoorziening geldt als basis minimaal 110% van de inhoud van de grootste verpakking of 10% van de totale inhoud van alle aanwezige vloeistofverpakkingen. De grootste van beide uitkomsten is bepalend.
Moet een IBC van 1.000 liter in een lekbak van 1.100 liter staan?
Bij toepassing van de basisregel levert één IBC van 1.000 liter een 110%-waarde van 1.100 liter op. Ook 10% van de totale aanwezige vloeistof moet echter worden berekend. De grootste uitkomst bepaalt de vereiste totale productopvang. De opvang hoeft niet noodzakelijk uitsluitend uit één lekbak direct onder de IBC te bestaan als het totale opvangconcept aantoonbaar voldoet.
Tellen vaste gevaarlijke stoffen mee?
Niet voor deze productopvangberekening. De eis is gericht op vloeibare gevaarlijke stoffen.
Tellen lege ongereinigde verpakkingen mee?
Lege ongereinigde verpakkingen tellen niet mee voor de berekening van de hoeveelheid productopvang.
Mag de volledige opslagvloer als opvang dienen?
Dat kan onderdeel zijn van een opvangconcept wanneer de vloeistof daadwerkelijk binnen de opslagvoorziening wordt gehouden en voldoende effectieve capaciteit beschikbaar is. Een vlakke vloeistofdichte vloer zonder begrenzing is niet automatisch voldoende productopvang.
Mag ik meerdere verpakkingen boven dezelfde lekbak plaatsen?
Dat kan wanneer voldoende effectieve opvangcapaciteit aanwezig is en de stoffen bij gelijktijdig vrijkomen niet gevaarlijk met elkaar kunnen reageren.
Is productopvang hetzelfde als bluswateropvang?
Nee. Productopvang betreft vrijgekomen opgeslagen vloeistof. Bluswateropvang betreft verontreinigd water of ander blusmiddel dat bij brandbestrijding ontstaat.
Moet bluswateropvang boven op productopvang worden berekend?
Wanneer beide noodzakelijk zijn, worden de berekende productopvangcapaciteit en bluswateropvangcapaciteit binnen de hoofdstuk-4-systematiek bij elkaar opgeteld om de totale benodigde opvangcapaciteit vast te stellen.
Geldt bij beschermingsniveau 2a ook de 110%/10%-regel?
De algemene voorschriften blijven relevant, maar hoofdstuk 4 stelt aanvullende eisen. Voor beschermingsniveau 2a bedraagt de productopvang volgens die aanvullende systematiek 100% van de aanwezige vloeistoffen in de opslagvoorziening.
Hoeveel productopvang geldt bij beschermingsniveau 3 en 4?
Binnen de aanvullende hoofdstuk-4-systematiek bedraagt deze ten minste 10% van de hoeveelheid vloeistof in het grootste vak.
Kan VNCW Consultants mijn opvangvoorziening berekenen?
Ja. Wij kunnen de noodzakelijke productopvang en, waar relevant, de uitgangspunten voor bluswateropvang beoordelen in samenhang met stoffen, verpakkingen, vakindeling, beschermingsniveau en opslagconcept.
Laat uw PGS 15 opvangvoorziening beoordelen
Een opvangvoorziening is meer dan een lekbak met voldoende liters.
De opvang moet ook in de werkelijke magazijnsituatie functioneren, aansluiten op de opgeslagen stoffen en voorkomen dat gevaarlijke of onverenigbare vloeistoffen zich ongecontroleerd kunnen verspreiden.
Bij grotere opslagvoorzieningen moet bovendien rekening worden gehouden met beschermingsniveau, vakindeling en eventuele bluswateropvang.
VNCW Consultants kan deze uitgangspunten voor bestaande opslag, uitbreiding en nieuwbouw beoordelen en berekenen.
Bespreek uw nieuwe PGS 15-opslag met een adviseur
